Over identiteit, wording en het loslaten van vaste antwoorden

Wat is identiteit eigenlijk?

Heldere etymology

Het woord identiteit klinkt alsof het verwijst naar iets vasts. Iets dat samenvalt met zichzelf. Dat is geen toeval. Het komt van het Latijnse idem, wat ‘hetzelfde’ betekent. Identiteit verwees oorspronkelijk naar gelijkheid, naar dat wat onveranderd blijft door de tijd heen.

Maar dat ‘hetzelfde’ verwees oorspronkelijk niet naar een innerlijke kern, maar naar herkenbaarheid. Naar het vermogen om iemand of iets als dezelfde te identificeren in vergelijking met iets anders, en door de tijd heen.

Pas later is het woord gaan verwijzen naar een innerlijk zelf, losgemaakt van die relationele oorsprong.

Identiteit als constructie

De Belgische psycholoog en filosoof Paul Verhaeghe stelt dat identiteit geen aangeboren gegeven is, maar een sociaal-psychologische constructie. Wie we worden, hangt in sterke mate af van de omgeving waarin we opgroeien. Adoptie maakt dat pijnlijk zichtbaar: een kind geboren in Haïti dat op jonge leeftijd in Nederland opgroeit, wordt een Nederlander. Niet omdat er iets ‘Nederlands’ in hem zat, maar omdat identiteit ontstaat in relatie tot een context.

Identificatie en separatie

Verhaeghe beschrijft twee processen die ons hele leven actief blijven. Het eerste is identificatie: het overnemen van beelden, woorden en verwachtingen uit onze omgeving. We spiegelen ons, grotendeels onbewust, aan ouders, leeftijdsgenoten, cultuur. Dat proces biedt veiligheid: erbij horen.

Het tweede proces is separatie: afstand nemen, nee zeggen, andere keuzes maken. Al vroeg beginnen we te weigeren wat ons wordt voorgehouden en zoeken we naar eigen accenten. Ook die keuzes zijn nooit volledig vrij — we kiezen uit bestaande beelden — maar ze maken wel verschil.

“Een origineel plagiaat”

Verhaeghe noemt identiteit een ‘origineel plagiaat’. Origineel, omdat niemand precies dezelfde combinatie van keuzes maakt. Een plagiaat, omdat we altijd werken met bestaand materiaal: beelden, woorden, rollen die al vóór ons bestonden.

Dat idee bevrijdt en ontregelt tegelijk. Het ondermijnt het verlangen naar een zuiver, authentiek zelf, maar laat wel ruimte voor verantwoordelijkheid: hoe combineer ik wat mij is aangereikt?

Het probleem van het ‘authentieke zelf’

Volgens Verhaeghe is het geloof in een ‘authentieke identiteit’ een hardnekkige illusie. Het idee dat we diep vanbinnen al weten wie we zijn, en dat we dat alleen nog hoeven te ontdekken, miskent hoe relationeel en veranderlijk identiteit is. Het enige wat werkelijk vast is, schrijft hij, is het lichaam — en zelfs dat verandert.

Open einde

Misschien is de vraag ‘wie ben ik?’ daarom minder behulpzaam dan ze lijkt. Niet omdat ze verkeerd is, maar omdat ze suggereert dat er een antwoord ligt te wachten. Wat als identiteit geen kern is om te vinden, maar een constructie om zorgvuldig mee om te gaan? Iets wat zich vormt in relatie, in keuzes, en in hoe we omgaan met de spanning tussen erbij horen en ons losmaken.

Dit maakt me nieuwsgierig naar het volgende: wat als ik ontevreden ben over mijn huidige identiteit, en identiteit onderhevig is aan verandering; hoe kan ik deze dan bewust veranderen?

Dit artikel is tot stand gekomen vanuit mijn eigen filosofische vragen en reflecties, in dialoog met literatuur, met ondersteuning van taalmodellen.

Literatuur

Verhaeghe, P. (2021). Identiteit: een origineel plagiaat.

Plaats een reactie